Requiem voor een kameel

Zeena en Maryam

Zeena kreeg ik op een van mijn eerste tochten door de woestijn toebedeeld. Een niet al te grote naga (merrie) met een fraai hoofdje en een prettige gang. ’t Klikte meteen tussen ons en nadien vroeg ik altijd om haar. Of ik nu met haar baas op pad ging, of met andere bedoeïenen, Zeena ging met me mee.

Kamelen hebben, net als andere dieren, een eigen persoonlijkheid en die van Zeena lag me wel. Haar zus Ida was heel anders, een zogenaamde staarthanger. Ida durfde niet bij de karavaan weg, wilde niet voorop lopen en ging zeker niet tegen de stroom in. Zeena maakte het allemaal niks uit. Hoewel: voorop lopen vond ze haar goed recht. Tussenin wou ze niet, dan draafde ze mopperend en brommend naar voren om haar eigen plek in te nemen. Tenzij ik haar duidelijk liet weten dat wij samen andere plannen hadden. Dan schikte ze zich en liep opgewekt achteraan of bleef samen met mij op een wandelaar te wachten die zich in een rotspartij of struikje verdiept had. Zeena was de perfecte bezemwagen.
Opstappen was wel een kunst. Want ze had de neiging al omhoog te komen voor ik in het zadel zat. Terwijl zij haar voorbenen strekte, hees ik me aan de zadelknoppen omhoog. Dat vond iedereen knap geinig, maar ik was en niet echt blij mee.

Zeena, Maryam en Maryam

In 2010 baarde Zeena een veulentje dat haar familie ‘Maryam’ doopte, naar mij. Na een paar maanden mocht Maryam mee en huppelde ze vrolijk tussen de wandelaars en haar moeder heen en weer. Moeder functioneerde nog steeds prima, al hield ze haar jong wel met argusogen in de gaten. Slapen deden ze samen, zij aan zij.

Herfst 2011 zat ik met een groepje wandelaars bij de eigenaars van Zeena te eten. Die verwenden ons, op deze eerste avond in de woestijn, met kip en rijst. We hadden ons rond de grote schotel geschaard, waar het voedsel hoog opgetast lag.
Zeena lag een stukje verder op met Maryam naast zich. Dan, opeens, sprong ze op, ze schreeuwde, galoppeerde weg en stortte na een paar 100 meter neer. Gealarmeerd renden we naar haar toe, stonden om haar heen.

Nadat de gasten zich teruggetrokken hadden probeerden we haar te helpen. We masseerden haar buik, nek en rug. We sneden haar neusvleugel in en wreven haar borst en schouders in met bloed. We liepen rondom haar, bespuwden haar om de dood te verdrijven. As smeerden we op haar borst.
’s Nachts om 12 uur kwam er een opleving: ze probeerde op te staan. Het lukte niet. En toen, om 3 uur ’s nachts is ze gestorven. Een korte, felle rouwkreet uitten de bedoeïenen. En nogmaals. Daarna werd het stil.

Rijd ik nu door de vallei waar zij stierf, dan kijk ik altijd naar de plek waar zij haar laatste uren doorbracht. De kameel die me leerde rijden, die me door de toen zo onbekende woestijn droeg. Zittend op haar voelde ik hitte noch koude, wind noch dorst. De Beste, dat was zij.

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

Advertenties

Op zoek naar de heilige gronden

‘Heiligdommen? Die kennen wij hier niet hoor. Hoe kom je erbij?’ Sami klonk zelfverzekerd, maar ik geloofde hem niet. In heel Noord Afrika en het Midden Oosten vind je heiligdommen en dan zou er uitgerekend in Zuid-Sinai geen zijn? Dat leek me sterk. En daarom ging ik bij zijn moeder op bezoek.

heiligdom sinai woestijn egypteZij bevestigde mijn vermoeden. Zeker waren er heiligdommen in de streek. Twee kende ze goed: Die van Nabih Saleh langs de weg van Katharina naar de kust en die bij de oase al-Ahdar.
Eeuwenlang hebben dergelijke heiligdommen een belangrijke rol vervuld in het leven van de Moslims en Christenen in de regio. Men ging erheen om te bidden, vertroosting te vinden, te offeren en gunsten af te smeken.
Vaak is er op zo’n heilige plek een graftombe. Wie er ligt is lang niet altijd bekend: een stamoudste allicht van onbesproken gedrag, of een plaatselijke heilige. Maar soms vind je alleen maar een leeg gebouwtje, een oeroude boom of een merkwaardig gevormde rots. Wat vaststaat is dat de plek over bijzondere krachten beschikt. Wie er vertoeft weet zich omhuld door het goddelijke.

De volgende dag reden Sami en ik via diverse wadi’s westwaarts en al wat we zagen – gehuchten, weedplantages, kamelen – geen heiligdom. Sami chauffeerde me met frisse tegenzin. Hij had helemaal geen trek in een bezoek aan een gebouwtje waar bijgelovige moslims wie weet wat voor archaïsche handelingen verrichtten. Hij vond het ouderwets en hoopte dat ik mijn plan op zou geven. Hij wist nog wel een mooie moskee. Was dat niet een beter doel voor vandaag? Bovendien, de schrijn was waarschijnlijk allang ingestort en verdwenen.

We stopten bij een van de gehuchten om de weg te vragen. Niets bewoog. Geen geluid was er te horen en de hitte deed de lucht trillen.
‘Zijn er mannen?’ riep Sami. Een gesluierd hoofd dook op van achter een muurtje.
‘Nee. Wat wil je?’
‘Ik zoek een gids, ik moet naar de schrijn.’
‘Rij naar het noorden. Bij de hutten daar zijn wel mannen.’
Na tien minuten vonden we een stokoude man, die onder een afdakje lag te slapen. Hij belde zijn zoon, die bij ons in de jeep sprong.
.
Toch nog onverwacht doemde op de zandvlakte een vierkant gebouwtje voor ons op. Met de helderwitte koepel deed het me aan een Grieks kerkje denken. Dichterbij gekomen vonden we, verspreid op de grond, botjes en andere dierlijke resten. Hier was onlangs nog geofferd, dat stond vast. Maar Sami wilde er nog steeds niet aan. Die botten, beweerde hij, waren minstens 20, zo niet 30 jaar oud.
‘Echt Maryam, dit is van heel vroeger.’

Ik trok mijn schoenen uit en vond binnen een sarcofaag, bedekt met een groen kleed. Aan het hoofdeinde prijkte Surat-al-Sharh
‘Ken je de sura? Welke is het?’ Tegelijk besefte ik het onhandige van mijn vraag. Hij zou het niet weten. Misschien schaamde hij zich dan wel.
‘Dat hoef ik jou toch niet te vertellen, dat weet jij net zo goed,’ pareerde hij mijn vraag en wandelde naar buiten. Waar hij naar de wapperende stukjes groene stof keek, vastgebonden aan een balk. Hoe dat daar kwam en wie dat deden?
‘Het zijn stukjes van het kleed over het graf. De gelovigen die hier komen snijden wat weg en hangen dat dan op. Zo wappert hun wens naar boven, naar Allah.’

Toen we weer bij moeder verschenen pakte ze de pan met rijst. Ze gooide de inhoud op een schaal, gaf mij een lepel en maande ons te eten.
’t Was mooi,’ zei ik. Er hing een sura aan de muur.’
‘Ja, ’t is mooi. Ik ben er vroeger wel geweest. Met je vader. Jij was nog klein.’ Ze keek haar zoon aan. ‘Maryam vindt het mooi.’
Sami maakte met zijn rechterhand balletjes van de rijst en stopte die met een sneltreinvaart in zijn mond. Dan zei hij:
‘Ik zei het je toch, Maryam, 30 jaar geleden, toen kwamen er mensen.’

Surat al-Sharh (sura 94) (vertaling MM)

In de naam van God, de barmhartige, de liefdevolle
Zorgden wij er niet voor dat je weer kon ademen,
dat je last verlicht werd, de last die zo zwaar op je schouders lag?
Hebben wij je aanzien niet vergroot?

Leed en vertroosting komt te zelfder tijd
Ik zeg: leed en vertroosting komt te zelfder tijd
Mocht je je taak volbracht hebben, begin een nieuwe opdracht
En zoek voortdurend naar de Heer

Alle yogareizen van Stichting Hadiya reizen bezoeken het heiligdom en overnachten op de heilige gronden Een bijzondere plek om te mediteren en stil te staan bij wat je beroert.

Marion Meulenbroek
www.hadiyareizen.nl

Social media in de woestijn

Sta ik op je website? Hoe dan? Wie kan dat dan zien? De hele wereld?’ Sami kijkt me verbluft aan. Op mijn laptop laat ik hem de website zien. Hij kijkt en ziet ondermeer zichzelf en zijn moeder. Mooi, vindt hij. En dan vraagt hij naïef: ‘gaan nou mensen van over de hele wereld jou bellen? Vragen ze dan ook wie ik ben? Zeg je dan dat ik een jeep heb en safari’s doe?’

Ik herinner me nog hoe ingewikkeld ik het begrip internet vond toen het pas bestond. Dat ik niet snapte hoe het werkte, laat staan het nut ervan. En nu kost het me moeite hem uit te leggen dat het zo niet werkt. Dat ik geen telefoontjes hoef te verwachten over hem en zijn jeep. Maar hij onderbreekt mijn uitleg en komt met iets anders: hoe kan je nou die website vinden? Dat wordt lastig want Sami kan wel Arabisch lezen en schrijven, maar geen Engels. Dus geef ik hem een lijst Arabisch-Engelse letters en spel voor hem de naam van mijn website.

Nu zit hij een hele tijd te zwoegen want hij begint met mmm in plaats van www. Als hij het op wil geven grijp ik in. Nu staat er www maar hij vergeet de punt. Ik zeg: ‘nukta’, hetgeen punt is in het Arabisch. Maar het staat ook voor checkpoint. En daar zijn er heel wat van in Sinai. Waarna ik hem hoor mompelen: ‘www checkpoint hadiyareizen’. Ik verbijt een lach.

mmm, Sami ploetert voort

Nog een half uur later heeft Sami er schoon genoeg van. YouTube kent hij en nu wil hij filmpjes zien over de woestijn. Nooit iets anders, bijvoorbeeld Nederland in de sneeuw of de Keukenhof. Dus kijken we voor de zoveelste keer naar een kamelenrace, naar een muzikant die een traditioneel instrument bespeelt en naar een rijtje dansende mannen.

De meeste bedoeïenen die ik ontmoet zijn niet erg geïnteresseerd in wat er buiten hun leefgebied gebeurt. De regio gaat nog net. Van daarbuiten weten ze genoeg, denken ze. Daar komen de toeristen vandaan en die zijn allemaal rijk. Die wonen in grote mooie huizen en hebben dikke auto’s, net zoals de mensen in soapseries.

Is het internet, mede door de taalbarrière, nog niet ingeburgerd, mobieltje zijn dat wel. Iedere man heeft er een en de telefoontjes lijken wel in de handpalm vastgegroeid.
Er wordt veel en nutteloos over en weer gebeld. Zomaar, om de tijd te doden.
‘Hallo, hoe is het? …Goed, waar ben jij?… Ik zit thuis (in de auto, op het strand)… Nou, daag.’ Zo belt Sami minstens 20 keer per dag. Hij is trots op het gigantisch aantal nummers dat hij verzameld heeft. Meer dan al zijn vrienden heeft hij. Wel 25 Ahmads en meer dan 30 Muhammads.
‘Jij hebt denk ik maar 20 nummers, ‘ zegt hij vol medelijden. ‘Wie kent jou hier? Wie heeft jouw nummer? Jij wordt bijna nooit gebeld.’

mobieltje vastgekleefd in de handpalm

Sommige gesprekken zijn echter minder loos. Jonge verliefde mannen bellen met de familie van hun vriendinnetjes. Heeft vader de mobiel dan volstaat het simpele gesprek. Neemt hun lief op dan is een afspraakje zo gemaakt.
‘Ben je alleen thuis? Tot wanneer? Kom je naar buiten, achter de houtheuvel?’ Het mobieltje is een geliefd cadeau om aan je vriendin te geven en op de trilstand gezet, hoeft niemand te weten dat je er eentje hebt. Met de SMS-jes sluipen de afspraakjes het huis binnen en de meisjes hoeven ontmoetingen niet meer aan het toeval over te laten. Het is spannend om met je vriendje af te spreken en de meisjes staan niet meer te springen om op hun achttiende te trouwen.
‘ Over een jaartje,’ zeggen ze,’ nu nog niet.’ Want trouwen willen ze heus wel. Vooral moeder worden, dat is het mooiste wat er is. Maar dat kan over een paar jaar ook nog. Voorlopig is het goed zo, een beetje verkering met die, of met die…

© Marion Meulenbroek
Meer informatie over wandelreizen in de Sinai woestijn? Zie http://www.hadiyareizen.nl

Wil je mij? Ik wil met jou trouwen!

Kamla ken ik al een tijdje. Ze is rond de 28 jaar, woont bij haar zus in huis en niet getrouwd. En dat is wel apart, want de meeste meisjes hier hebben rond hun 21ste hun eerste bruiloft wel achter de rug. Ik vroeg haar zus, Rahma, hoe dat kon.
‘Er is nog niemand om haar gekomen,’ vertelde ze. ‘En hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt. Mannen willen een jong meisje.’
‘Toch niet allemaal,’ protesteer ik. ‘Neem nou Atwa, die nam Shaqiyya en die was toch ook een stuk in de twintig.’
‘Atwa was al 40. Welk jong meisje wil nou een man van 40? Zijn baard was grijs. Niemand anders wilde Shaqqiya.’

Houden van, die term gebruiken de bedoeïenen niet als het om liefde en huwelijk gaat.
‘Ik wil die wel,’ zegt een jongen over een knappe meid.
‘Hij is getrouwd vorig jaar. Een leuke vrouw, die had ik wel willen hebben.’

Kamla aan het werk

Met Kamla zit ik bij het vuur. Zij is een ketting aan het rijgen en ik borduur pailletten op mijn hoofddoek.
‘Wie zou je willen,’ vroeg ik haar. ‘Zijn er mannen die je ziet zitten?’ Ze haalde haar schouders op.
‘Subayl,’ stel ik voor. ‘Die ziet er leuk uit en ik vind hem erg aardig.’
‘Ja, hij is knap, maar hij zit vast.’
‘Hij komt in maart weer vrij, dat hoorde ik van Aliyan.’
‘Hij heeft vast al zijn keuze gemaakt. En hij is jonger dan ik’
‘Aliyan dan, zijn broer. Die is rustig en in de 30. Is dat niks?’
‘Aliyan? Die lelijkerd. Die wil toch niemand?’ Ze trok een grimas.
‘En Sami? Die uit Ruwaybiyya?’ Kamla keek peinzend voor zich uit. Sami, ja, die zag ze wel zitten. Ongetrouwd, 38 jaar, altijd vriendelijk, een knap gezicht en de trotse eigenaar van een jeep.
‘Hij heeft twee nieuwe tanden genomen, hij ziet er goed uit, nu.’
‘Die wil ik wel.’

Het is een beetje lastig je huwelijkspartner uit te zoeken als je elkaar niet of nauwelijks onder vier ogen kunt spreken. Dus wordt het uiterlijk een belangrijk selectiecriterium. Jonge Muzeinimeisjes hebben het gezicht nooit bedekt en zijn zo hun eigen reclameposter. En de jongens ijdeltuiten wat af met hun hoofddoek: er zijn zoveel verschillende manieren om die te dragen dat er heuse bijeenkomsten aan geweid worden.
Daarnaast hebben natuurlijk de ouders een flinke vinger in de pap maar als de wens van zoon of dochter geen aversie oproept wordt er getrouwd.

Aantrekkelijke Sami, gewild vrijgezel

Een week later kom ik Sami tegen.
‘Jij hebt Kamla op me afgestuurd,’ zegt hij.
‘Zij wil jou wel.’
‘Wat moet ik met haar, ze is minstens 30. En ook nog lelijk!’
‘Maar ze is heus aardig en ze heeft prachtig haar, tot op haar achterwerk.’ Dat wekt even de belangstelling van Sami. Het altijd ongeziene haar is begeerlijk en hoe langer het is, hoe meer het aanspreekt. Maar nee, hij wil niet. Zijn moeder vond het wel een aardig idee, zegt hij, maar die hoeft er niet mee naar bed. Nee, hoor, hij blijft nog liever alleen.

‘Hij wou niet,’ zegt Kamla later tegen me. ‘Hij zegt dat hij helemaal nooit wil trouwen.’

En Aliyan? Die is ook nog steeds vrijgezel. Er was wel een nichtje dat wilde maar die had net zo’n slechte huid en vooruitstekende tanden als hij.
‘Mijn nicht? Die lelijkerd? Nee hoor, die wil ik niet.’

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

Koreaan in Nuweiba

Alyan kan niet goed koken en houdt eigenlijk alleen maar van moeders pappot. ‘Alles wat ik klaarmaak heb ik van mijn moeder geleerd,’ zegt hij. ‘En zij is de beste, echt waar.’ Hoe moet de kookkunst van alle andere mama’s in Nuweiba dan wel zijn, vraag ik me af. Zouden die ook van die kostelijke gerechten maken als Alyan? Macaroni kook je meer dan een uur, is zijn stellige overtuiging. Dat moet in een pan met water, waar eerst de uien in gefruit zijn. Je gooit er ook een blikje tomatenpuree bij en een zakje tomatensaus. Klaar!

Soms stel ik Alyan voor dat ik het koken in de woestijn overneem. Dat wijst hij af: wie weet wat ik er van bak. Kan ik eigenlijk wel koken of heb ik daar mijn personeel voor? Plat brood bakken kan ik ook al niet, alleen maar asbrood. Hij staart voor zich uit, denkt na over mijn huiselijke omstandigheden in Nederland.

Maar dan komt hij met een plan. Uit eten wil hij met mij, naar de Koreaan. Dan weet ik hoe jij thuis eet, stelt hij. ‘Want die Koreanen eten veel rundvlees, jij toch ook? Jij moet wel betalen hoor, voegt hij wat zorgelijk toe. Het schijn nogal duur te zijn.’
Ik stem gretig toe. Het lijkt me wel wat, uit eten met een bedoeïen bij de Koreaan in Nuweiba. Over de prijs maak ik me vooralsnog niet druk, dat zal best meevallen.

Het voelt bijna als een date. Ik heb mijn aardigste jurk aangetrokken en Alyan verschijnt in een nieuwe jalabiya. Grijs schijnt het nieuwe wit te zijn, want ik zag al menig man in deze vlotte outfit. Een borduurrand, mooi maar toch mannelijk, is langs de hals en de sluiting op de borst te zien. De zakken zijn goed afgewerkt en het model lijkt me wijder te vallen rond de voeten dan normaal. ‘Mijn hoofddoek is ook nieuw’ zegt Alyan maar dat ziet geen mens want die is roodgeruit als altijd.

We gaan naar binnen. We zijn bepaald niet de eersten. Tot zijn stomme verbazing ziet Alyan twee honden in het restaurant rondlopen. ‘Wat onhygiënisch,’ fluistert hij. Ik zie een aantal blote Egyptische damesruggen, zwierige kapsels, welgedane heren en een Europees stel.

Alyan en ik gaan bij het raam zitten. Niet dat we buiten wat kunnen zien, maar dan zitten we uit het zicht. ‘Anders vallen we op,’ zegt Alyan. En dat doen we dus niet want de ober laat op zich wachten. We babbelen wat en Alyan gaat steeds harder praten. ‘We vallen op,’ zeg ik.

De ober verschijnt en Alyan, die zo graag wou weten hoe rundvlees smaakt, trekt, om het maar eens plat te zeggen, zijn keutel in. Kan hij misschien, wie weet, tja, als het mogelijk is, een bordje tahine krijgen, wat sla en wat brood? Nee, de ober – een vrouw in een ultrakort broekje- is onverbiddelijk. Nee, hij moet van de kaart eten. Die kan hij niet lezen en dus vraagt hij mij wat hij wil. Kip misschien? De zoetzure kip krijg ik niet verkocht, suiker op zijn kip wil hij niet, zegt hij. Hete kip ook niet, stel je voor. ‘Kip met niks of kip met curry,’ beslis ik. ‘En dan rijst, we nemen gebakken rijst en gekookte, dan kan je kiezen. Brood is er niet.’

Er gaat een uur voorbij. En nog een. De Egyptenaren hebben van een voorgerecht geproefd, een soepje gehad en zijn nu aan hun hoofdschotel begonnen. Ze fotograferen elkaar met hun mobieltjes en hebben veel schik. De Europeanen zijn verdwenen en een groepje uit Israel laat onder tafel een drankfles rondgaan die de cola verrijkt. Zij hebben het ook erg naar hun zin.

Wij niet echt. Wij worden wat onrustig. De dame in het korte broekje zit de hond te aaien, achter de bar staat een oosterse man hardnekkig weg te kijken en Alyan wil niet opstaan. Of zwaaien met zijn arm. Of iets roepen. Zal ik dan maar even naar….Néé, stel je voor! Nu staat hij op en praat met de man achter de bar, steekt vervolgens zijn hoofd door het loket naar de keuken en loopt wat heen en weer. Hij steekt zijn hoofd nogmaals door het loket…wat zou hij toch zien en doen? Hij drentelt weer wat. Zou hij de borden zelf meekrijgen? Een andere oosters uitziende man komt naar hem toe en praat met hem. Dan komen ze samen naar ons tafeltje. ‘The lady is hungry’ zegt Alyan en wijst op de bron van alle ongemak. Of ik nog even een half uurtje geduld heb? Dat moet dan maar, denk ik en vraag Alyan wat er achter dat loket te beleven valt. ‘Er staat een dikke vrouw te koken. Ze heeft wel 6 pannen op het vuur staan.’ Hij zegt het vol ontzag. ‘Ze is best oud, dat haar kinderen dat niet doen.’ Die zwoegen waarschijnlijk op een universiteit in Seoel, denk ik.

Alyans kip

Daar is het eten eindelijk. En de vrouw in de korte broek. Alyan kijkt wantrouwend naar haar handen. Die hebben de hond geaaid, en die houden nu zijn bord vast. ‘Ik zag dat ze haar handen waste,’ zeg ik snel in het Arabisch. Anders geeft het vast gedoe.
We proeven. We knikken naar elkaar: lekker. We eten. Ik neem van de witte en van de gebakken rijst met groente. ‘Ze hebben deze rijst alleen maar in het water gedaan,’ constateert hij. ‘Dat is zeker makkelijker voor die vrouw in de keuken.’ Ik antwoord niet maar eet. Binnen 10 minuten zijn onze borden schoon leeg. De schaaltjes rijst ook.

Alyan vraagt de rekening en mij het geld. Hmm, het valt niet echt mee. Voor Egyptische begrippen is het schandalig duur en wie heeft er nu ooit van 20% tax en van 20% voor het personeel gehoord? Hij wordt er verlegen van en vraagt of hij af moet dingen? Of boos moet worden?
‘Doe maar niet’, zeg ik. ‘Het geeft niet, het is maar voor een keertje.’ En hij betaalt het gigantische bedrag van 22 euro. Maar daarvoor mochten we dan weer wel 4 uur in het restaurant vertoeven, dat wel.

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

De halve hyena

…voor de maag…

De bedoeïenen staan erom bekend dat ze bijzonder veel weten van natuurlijke geneeswijzen. En dus vroeg ik Aliyan om mij van alle planten die we tegenkwamen te vertellen waartoe ze gebruikt konden worden.

Ik wees op een klein, grijsachtig struikje. ‘Dat is voor de maag’ zei Aliyan. Je doet de blaadjes bij de thee, net als met salie. ‘Voor de maag,’ zei hij bij een andere struik en daarna nogmaals.
‘Is alles voor de maag?’ Vroeg ik nieuwsgierig.
‘Alles is voor de maag,’ antwoordde hij met een grijns. ‘Alles wat je eet! Hij maakte een wijds gebaar. ‘Voor de mensenmaag, de geitenmaag, de kamelenmaag.’ Ik wist weer waarom ik zo graag met hem op pad ging. Hij had een apart soort humor. Maar een kruidenkenner was hij niet, dat bleek wel.
‘Heel veel planten kunnen gebruikt worden. Tegen hoofdpijn of kiespijn, als je niet kunt poepen of diarree hebt, voor bij het eten of als thee. In de wadi Khallal hebben we thee van die gele bloempjes gedronken, weet je nog? Maar ik herken die planten niet, bovendien groeien er veel in de bergen en daar kom ik nooit. Geef mij trouwens maar een tablet tegen de hoofdpijn.’

’s Avonds pakte ik het onderwerp weer op.
‘Slangen,’ zei ik, ‘wat kan je daarmee?’
‘Doodmaken, allemaal.’ Dat schoot niet op.
‘Maar als je gebeten wordt?’ ik vermoedde half en half dat hij me met een flauw antwoord zou afschepen maar nee, hij ging ervoor zitten.
‘De Jabaliya bedoeïenen bakken soms een slang, als je veel pijn hebt in je polsen of zo. Dat is voor oude mensen. Als je gebeten wordt dan moet je zorgen dat je de wond met je eigen bloed schoonspoelt. Je moet de wond insnijden. Daarna branden en bladeren erop leggen.

Maar sommige dieren zijn wel heel heilzaam. Als je altijd heel veel pijn hebt, of voortdurend moe bent, helpt het vlees van dieren die we eigenlijk niet mogen eten, zoals dat van de vos of de hyena. Je gaat in een hut of tent zitten waar een pot het hyena- of vossevlees gekookt wordt. Je wordt in dekens gewikkeld en moet steeds in de damp zitten en van het kooknat drinken. Maar alleen de rechterhelft mogen we gebruiken, omdat het eigenlijk geen voedsel is. Het is medicijn. Gebruik je alles, dan wordt het weer voedsel.’
‘Denk je dat het helpt? Zo’n halve hyena of vos?’
‘Wie weet? Bouillon van vossevlees is ook goed voor kamelen en verzwakte kinderen.’

‘En dat branden dat jullie doen? Met die spijkers?’ Ik wist dat zowel mens als dier bij bepaalde ziektes gebrand worden. Allereerst volgt dan een drukpuntmassage en tot slot wordt behandeling beëindigd door een of meer drukpunten te schroeien met een gloeiende spijker. Mij leek die gloeiende spijker nou pijnlijke onzin maar Aliyan reageerde voor zijn doen fel.
‘Dat is een prima geneeswijze, nee hoor, dat werkt echt. Overal doen ze het, bij ons, in Saoedi Arabië, in Syrië, alle bedoeïenen doen het.’
‘En jij, ben jij weleens gebrand?’
‘Mijn moeder wilde het niet.’
Wat mij op het idee bracht om moeder maar eens aan de tand te voelen. Die mij vertelde dat ze het niet over haar hart had kunnen krijgen om haar jongste aan de hete spijkers bloot te stellen.
‘En hij werd toch beter, al-Hamdullilah.’

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

Verdwaald

Zandvlakte van al-Makhroom

Eeuwenlang overleven in de woestijn maakt dat de bedoeïenen zich zeer bewust zijn van de omgeving. Niets vergeten ze: waar dit plantje opkomt, waar die sayyala (acacia raddiana) staat of waar volgende wadi naartoe leidt.

Eenmaal maar hoeven ze een route te lopen en dan staat die voor altijd in het geheugen gegrift. En zo kon het tot een misverstand komen dat gelukkig geen kwalijke gevolgen had. Ik wilde graag naar de Wadi Sa’al, maar Aliyan was er nog nooit geweest.
‘Maar jij wel, toch?’ Ik knikte.
‘Vanuit al-Makhroom?’ Weer knikte ik. Waarna we tot mijn verbazing vertrokken, want eerder had hij gezegd dat hij me niet kon gidsen. Maar ik bekommerde me niet om dit veranderd inzicht, want zoiets gebeurt vaak. Wat hier de achtergrond van was wist ik niet en het kon me ook niet schelen.

In Makhroom gekomen maakten we ons eten klaar. We sprokkelden hout en bouwden een vuurplaats. Daarna kookten we, aten, verzorgden de kamelen, kletsten nog wat en gingen slapen.

De volgende dag om half 10 stonden we klaar voor vertrek.
‘Zeg het maar,’ zei Aliyan.
‘Wadi Sa’al,’ zei ik, ‘via Bir Safra.’
‘Waarheen?’ Ik dacht dat Aliyan ofwel zeer slecht geslapen had ofwel me bij de neus nam.
‘Wadi Sa ‘al,’ herhaalde ik.
‘Waarheen dan,’ herhaalde hij. Hij wees met zijn hand naar de duinenrij rechts, de antracietkleurige bergen voor ons en de kloof links. Ik haalde mijn schouders op.
‘Weet ik niet, hoor.’ Voor de eerste keer, zolang ik hem ken, keek hij geërgerd.
‘Je bent hier toch geweest in 2008? Hoe moet het verder?’
‘Een keer maar,’ protesteerde ik. ‘Hoe kan ik dan weten waar ik heen moet?’ Aliyan zuchtte, liet zijn kameel knielen en stapte af. Hij liep weg en beklom een zandheuvel. Met moeite, ik zag zijn voeten diep wegzakken en soms wegglijden. Wat zou hij gaan doen? Wilde hij bovenop het duin tot honderd tellen? Om zijn ergernis kwijt te raken? Maar eenmaal boven zag ik hem zijn mobiel pakken en later hoorde ik hem op luide toon praten. Hij wees met zijn hand naar de rij zwarte bergen, boog zijn vingers naar voren en bewoog ze of hij piano speelde. Daarna wees zijn hand naar rechts en maakte een bocht naar voren. De route, begreep ik. Zonder woorden steeg hij op en vertrokken we. Richting de bergen waar ons ongetwijfeld een pas wachtte waarna we rechtsaf zouden gaan.

Terwijl we verder reden bekeek hij me af en toe peinzend, een beetje medelijdend. ‘Zonder gids zou je doodgaan. Hoe het met jou moet, ik weet het niet. Hoe overleef je daar in Nederland?’
‘Ik schrijf, dat weet je toch?’
‘Maar echt iets dat erop aan komt, dat kan je niet.’
Nee,’ zei ik.

http://www.hadiyareizen.nl