Samen koken

Iedere volwassen bedoeïen kan koken. Op gas, op een houtvuur, dat maakt niks uit. Vrouwen koken over het algemeen thuis, en mannen als ze in de woestijn zijn. De ouderen leren het de jongeren zelfs de kleintjes doen soms mee.

De kinderen beginnen rond hun tiende het brooddeeg te kneden onder toeziend oog van de aanwezigen. Het is een leuk spelletje in het begin. Net zoals afwassen of de geiten opdrijven. Maar rond het 15de jaar wordt er toch echt wel verwacht dat er een keurig brood gebakken kan worden. Of dat nu van de plaat is of vanuit de as van het vuur.77f
Brood bakken is altijd de taak van de jongste kameeldrijver die op de trektocht meegaat. Thuis doen de meisjes het. Maar hoe aardig het ook gaat, commentaar wordt er altijd geleverd. Niet alleen aan de broodbakkende jongens en meisjes, ook aan volwassenen , wat ze ook aan het doen zijn.

Op een avond zit ik met een stel oudere mannen en vrouwen rond het vuur. Er wordt macaroni klaargemaakt. De gastvrouw, Umm Salim, schenkt olie in de pan, voegt uien toe en duwde flink wat hout onder de pan om ze te fruiten. Het vuur laait op; de vlammen lekken hoog rond de ijzeren pot.
‘Het gaat te snel’ haar man trekt wat takken weg.
‘Nee, er zit te veel hout hier, maar in het midden moet het juist heter worden,’zegt haar zus en duwt een tak naar het midden.
‘Doe jij geen knoflook? Wij doen altijd knoflook,’ zei een grijsaard die ik niet ken.
‘Knoflook moet na het water,’zegt de man,’en het water moet er nu bij. Ga water pakken ya Salim.’
Zijn zoontje van 9 snelt weg en komt met de jerrycan terug.
De huisvrouw verblikt of verbloost niet. Zo gaat het altijd. Zij knikt naar haar man, schenkt water op de uien die vrolijk beginnen te sissen. Haar zus rommelt aan een kant met de takken terwijl de grijsaard aan de andere kant trekt en duwt. Het vuur vlamt flink op. Het water kookt. Umm Salim roert met een metalen staaf met gaatjes aan de zijkant in de pan.
‘Waarom gebruik je je fluit daarvoor! Ya Allah, ben je gek? Heb je dan geen lepel?’
‘ Ik was hem weer af.’
‘De macaroni moet er nu bij, hoor. Haal de macaroni ya Salim.’
‘Ik doe deze saus erbij.’ Umm Salim scheurt een zakje open.
‘Het kookt te hard. Straks is het hout op, trek het hout weg.’
‘Heb je geen verse tomaten? Ik neem nooit dat merk , ik neem vers en een blikje. Dat is lekkerder.’
‘Let nou op het vuur , de saus kookt niet meer, het moet toch koken?’
Onverstoorbaar roert Umm Salim met haar fluit door de saus. De grijsaard vraagt weer om knoflook, de zus bekijkt het zakje van de saus, Salim is bij de buren een lepel gaan halen en mag nu de fluit schoon gaan maken.
‘Doe je erwtjes erbij? Daar heb ik nou nog nooit van gehoord.’
‘Dat is nieuw, dat leerde Fathiya van haar man. ‘
‘O ja? Hoe kwam Swelmi daar dan bij?’
‘ Zeker van zijn broer, die is met een Egyptische getrouwd.’
‘Egyptische vrouwen, die kunnen pas koken! Nou, dan zal ’t wel lekker zijn.’
‘Wij bakken lekker brood, maar echt koken, nee, dat kunnen wij niet,’ zegt Umm Salim tegen mij. Ga maar eens bij de Egyptenaren eten ya Maryam. Die eten altijd of het feest is.’
Waarna ze een grote schaal pakt, de boel erop gooit, in het midden gesneden komkommer en tomaat strooit. Een schaaltje met ongesneden lente ui staat er naast.
Bismillah, zeggen we. We eten zwijgend. En als toetje speelt Umm Salim een kort wijsje op haar fluit. 19sinai 20112 101 - kopie

Marion Meulenbroek
Stichting Hadiya Reizen

Op zoek naar de heilige gronden

‘Heiligdommen? Die kennen wij hier niet hoor. Hoe kom je erbij?’ Sami klonk zelfverzekerd, maar ik geloofde hem niet. In heel Noord Afrika en het Midden Oosten vind je heiligdommen en dan zou er uitgerekend in Zuid-Sinai geen zijn? Dat leek me sterk. En daarom ging ik bij zijn moeder op bezoek.

heiligdom sinai woestijn egypteZij bevestigde mijn vermoeden. Zeker waren er heiligdommen in de streek. Twee kende ze goed: Die van Nabih Saleh langs de weg van Katharina naar de kust en die bij de oase al-Ahdar.
Eeuwenlang hebben dergelijke heiligdommen een belangrijke rol vervuld in het leven van de Moslims en Christenen in de regio. Men ging erheen om te bidden, vertroosting te vinden, te offeren en gunsten af te smeken.
Vaak is er op zo’n heilige plek een graftombe. Wie er ligt is lang niet altijd bekend: een stamoudste allicht van onbesproken gedrag, of een plaatselijke heilige. Maar soms vind je alleen maar een leeg gebouwtje, een oeroude boom of een merkwaardig gevormde rots. Wat vaststaat is dat de plek over bijzondere krachten beschikt. Wie er vertoeft weet zich omhuld door het goddelijke.

De volgende dag reden Sami en ik via diverse wadi’s westwaarts en al wat we zagen – gehuchten, weedplantages, kamelen – geen heiligdom. Sami chauffeerde me met frisse tegenzin. Hij had helemaal geen trek in een bezoek aan een gebouwtje waar bijgelovige moslims wie weet wat voor archaïsche handelingen verrichtten. Hij vond het ouderwets en hoopte dat ik mijn plan op zou geven. Hij wist nog wel een mooie moskee. Was dat niet een beter doel voor vandaag? Bovendien, de schrijn was waarschijnlijk allang ingestort en verdwenen.

We stopten bij een van de gehuchten om de weg te vragen. Niets bewoog. Geen geluid was er te horen en de hitte deed de lucht trillen.
‘Zijn er mannen?’ riep Sami. Een gesluierd hoofd dook op van achter een muurtje.
‘Nee. Wat wil je?’
‘Ik zoek een gids, ik moet naar de schrijn.’
‘Rij naar het noorden. Bij de hutten daar zijn wel mannen.’
Na tien minuten vonden we een stokoude man, die onder een afdakje lag te slapen. Hij belde zijn zoon, die bij ons in de jeep sprong.
.
Toch nog onverwacht doemde op de zandvlakte een vierkant gebouwtje voor ons op. Met de helderwitte koepel deed het me aan een Grieks kerkje denken. Dichterbij gekomen vonden we, verspreid op de grond, botjes en andere dierlijke resten. Hier was onlangs nog geofferd, dat stond vast. Maar Sami wilde er nog steeds niet aan. Die botten, beweerde hij, waren minstens 20, zo niet 30 jaar oud.
‘Echt Maryam, dit is van heel vroeger.’

Ik trok mijn schoenen uit en vond binnen een sarcofaag, bedekt met een groen kleed. Aan het hoofdeinde prijkte Surat-al-Sharh
‘Ken je de sura? Welke is het?’ Tegelijk besefte ik het onhandige van mijn vraag. Hij zou het niet weten. Misschien schaamde hij zich dan wel.
‘Dat hoef ik jou toch niet te vertellen, dat weet jij net zo goed,’ pareerde hij mijn vraag en wandelde naar buiten. Waar hij naar de wapperende stukjes groene stof keek, vastgebonden aan een balk. Hoe dat daar kwam en wie dat deden?
‘Het zijn stukjes van het kleed over het graf. De gelovigen die hier komen snijden wat weg en hangen dat dan op. Zo wappert hun wens naar boven, naar Allah.’

Toen we weer bij moeder verschenen pakte ze de pan met rijst. Ze gooide de inhoud op een schaal, gaf mij een lepel en maande ons te eten.
’t Was mooi,’ zei ik. Er hing een sura aan de muur.’
‘Ja, ’t is mooi. Ik ben er vroeger wel geweest. Met je vader. Jij was nog klein.’ Ze keek haar zoon aan. ‘Maryam vindt het mooi.’
Sami maakte met zijn rechterhand balletjes van de rijst en stopte die met een sneltreinvaart in zijn mond. Dan zei hij:
‘Ik zei het je toch, Maryam, 30 jaar geleden, toen kwamen er mensen.’

Surat al-Sharh (sura 94) (vertaling MM)

In de naam van God, de barmhartige, de liefdevolle
Zorgden wij er niet voor dat je weer kon ademen,
dat je last verlicht werd, de last die zo zwaar op je schouders lag?
Hebben wij je aanzien niet vergroot?

Leed en vertroosting komt te zelfder tijd
Ik zeg: leed en vertroosting komt te zelfder tijd
Mocht je je taak volbracht hebben, begin een nieuwe opdracht
En zoek voortdurend naar de Heer

Alle yogareizen van Stichting Hadiya reizen bezoeken het heiligdom en overnachten op de heilige gronden Een bijzondere plek om te mediteren en stil te staan bij wat je beroert.

Marion Meulenbroek
www.hadiyareizen.nl

Social media in de woestijn

Sta ik op je website? Hoe dan? Wie kan dat dan zien? De hele wereld?’ Sami kijkt me verbluft aan. Op mijn laptop laat ik hem de website zien. Hij kijkt en ziet ondermeer zichzelf en zijn moeder. Mooi, vindt hij. En dan vraagt hij naïef: ‘gaan nou mensen van over de hele wereld jou bellen? Vragen ze dan ook wie ik ben? Zeg je dan dat ik een jeep heb en safari’s doe?’

Ik herinner me nog hoe ingewikkeld ik het begrip internet vond toen het pas bestond. Dat ik niet snapte hoe het werkte, laat staan het nut ervan. En nu kost het me moeite hem uit te leggen dat het zo niet werkt. Dat ik geen telefoontjes hoef te verwachten over hem en zijn jeep. Maar hij onderbreekt mijn uitleg en komt met iets anders: hoe kan je nou die website vinden? Dat wordt lastig want Sami kan wel Arabisch lezen en schrijven, maar geen Engels. Dus geef ik hem een lijst Arabisch-Engelse letters en spel voor hem de naam van mijn website.

Nu zit hij een hele tijd te zwoegen want hij begint met mmm in plaats van www. Als hij het op wil geven grijp ik in. Nu staat er www maar hij vergeet de punt. Ik zeg: ‘nukta’, hetgeen punt is in het Arabisch. Maar het staat ook voor checkpoint. En daar zijn er heel wat van in Sinai. Waarna ik hem hoor mompelen: ‘www checkpoint hadiyareizen’. Ik verbijt een lach.

mmm, Sami ploetert voort

Nog een half uur later heeft Sami er schoon genoeg van. YouTube kent hij en nu wil hij filmpjes zien over de woestijn. Nooit iets anders, bijvoorbeeld Nederland in de sneeuw of de Keukenhof. Dus kijken we voor de zoveelste keer naar een kamelenrace, naar een muzikant die een traditioneel instrument bespeelt en naar een rijtje dansende mannen.

De meeste bedoeïenen die ik ontmoet zijn niet erg geïnteresseerd in wat er buiten hun leefgebied gebeurt. De regio gaat nog net. Van daarbuiten weten ze genoeg, denken ze. Daar komen de toeristen vandaan en die zijn allemaal rijk. Die wonen in grote mooie huizen en hebben dikke auto’s, net zoals de mensen in soapseries.

Is het internet, mede door de taalbarrière, nog niet ingeburgerd, mobieltje zijn dat wel. Iedere man heeft er een en de telefoontjes lijken wel in de handpalm vastgegroeid.
Er wordt veel en nutteloos over en weer gebeld. Zomaar, om de tijd te doden.
‘Hallo, hoe is het? …Goed, waar ben jij?… Ik zit thuis (in de auto, op het strand)… Nou, daag.’ Zo belt Sami minstens 20 keer per dag. Hij is trots op het gigantisch aantal nummers dat hij verzameld heeft. Meer dan al zijn vrienden heeft hij. Wel 25 Ahmads en meer dan 30 Muhammads.
‘Jij hebt denk ik maar 20 nummers, ‘ zegt hij vol medelijden. ‘Wie kent jou hier? Wie heeft jouw nummer? Jij wordt bijna nooit gebeld.’

mobieltje vastgekleefd in de handpalm

Sommige gesprekken zijn echter minder loos. Jonge verliefde mannen bellen met de familie van hun vriendinnetjes. Heeft vader de mobiel dan volstaat het simpele gesprek. Neemt hun lief op dan is een afspraakje zo gemaakt.
‘Ben je alleen thuis? Tot wanneer? Kom je naar buiten, achter de houtheuvel?’ Het mobieltje is een geliefd cadeau om aan je vriendin te geven en op de trilstand gezet, hoeft niemand te weten dat je er eentje hebt. Met de SMS-jes sluipen de afspraakjes het huis binnen en de meisjes hoeven ontmoetingen niet meer aan het toeval over te laten. Het is spannend om met je vriendje af te spreken en de meisjes staan niet meer te springen om op hun achttiende te trouwen.
‘ Over een jaartje,’ zeggen ze,’ nu nog niet.’ Want trouwen willen ze heus wel. Vooral moeder worden, dat is het mooiste wat er is. Maar dat kan over een paar jaar ook nog. Voorlopig is het goed zo, een beetje verkering met die, of met die…

© Marion Meulenbroek
Meer informatie over wandelreizen in de Sinai woestijn? Zie http://www.hadiyareizen.nl

Wil je mij? Ik wil met jou trouwen!

Kamla ken ik al een tijdje. Ze is rond de 28 jaar, woont bij haar zus in huis en niet getrouwd. En dat is wel apart, want de meeste meisjes hier hebben rond hun 21ste hun eerste bruiloft wel achter de rug. Ik vroeg haar zus, Rahma, hoe dat kon.
‘Er is nog niemand om haar gekomen,’ vertelde ze. ‘En hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt. Mannen willen een jong meisje.’
‘Toch niet allemaal,’ protesteer ik. ‘Neem nou Atwa, die nam Shaqiyya en die was toch ook een stuk in de twintig.’
‘Atwa was al 40. Welk jong meisje wil nou een man van 40? Zijn baard was grijs. Niemand anders wilde Shaqqiya.’

Houden van, die term gebruiken de bedoeïenen niet als het om liefde en huwelijk gaat.
‘Ik wil die wel,’ zegt een jongen over een knappe meid.
‘Hij is getrouwd vorig jaar. Een leuke vrouw, die had ik wel willen hebben.’

Kamla aan het werk

Met Kamla zit ik bij het vuur. Zij is een ketting aan het rijgen en ik borduur pailletten op mijn hoofddoek.
‘Wie zou je willen,’ vroeg ik haar. ‘Zijn er mannen die je ziet zitten?’ Ze haalde haar schouders op.
‘Subayl,’ stel ik voor. ‘Die ziet er leuk uit en ik vind hem erg aardig.’
‘Ja, hij is knap, maar hij zit vast.’
‘Hij komt in maart weer vrij, dat hoorde ik van Aliyan.’
‘Hij heeft vast al zijn keuze gemaakt. En hij is jonger dan ik’
‘Aliyan dan, zijn broer. Die is rustig en in de 30. Is dat niks?’
‘Aliyan? Die lelijkerd. Die wil toch niemand?’ Ze trok een grimas.
‘En Sami? Die uit Ruwaybiyya?’ Kamla keek peinzend voor zich uit. Sami, ja, die zag ze wel zitten. Ongetrouwd, 38 jaar, altijd vriendelijk, een knap gezicht en de trotse eigenaar van een jeep.
‘Hij heeft twee nieuwe tanden genomen, hij ziet er goed uit, nu.’
‘Die wil ik wel.’

Het is een beetje lastig je huwelijkspartner uit te zoeken als je elkaar niet of nauwelijks onder vier ogen kunt spreken. Dus wordt het uiterlijk een belangrijk selectiecriterium. Jonge Muzeinimeisjes hebben het gezicht nooit bedekt en zijn zo hun eigen reclameposter. En de jongens ijdeltuiten wat af met hun hoofddoek: er zijn zoveel verschillende manieren om die te dragen dat er heuse bijeenkomsten aan geweid worden.
Daarnaast hebben natuurlijk de ouders een flinke vinger in de pap maar als de wens van zoon of dochter geen aversie oproept wordt er getrouwd.

Aantrekkelijke Sami, gewild vrijgezel

Een week later kom ik Sami tegen.
‘Jij hebt Kamla op me afgestuurd,’ zegt hij.
‘Zij wil jou wel.’
‘Wat moet ik met haar, ze is minstens 30. En ook nog lelijk!’
‘Maar ze is heus aardig en ze heeft prachtig haar, tot op haar achterwerk.’ Dat wekt even de belangstelling van Sami. Het altijd ongeziene haar is begeerlijk en hoe langer het is, hoe meer het aanspreekt. Maar nee, hij wil niet. Zijn moeder vond het wel een aardig idee, zegt hij, maar die hoeft er niet mee naar bed. Nee, hoor, hij blijft nog liever alleen.

‘Hij wou niet,’ zegt Kamla later tegen me. ‘Hij zegt dat hij helemaal nooit wil trouwen.’

En Aliyan? Die is ook nog steeds vrijgezel. Er was wel een nichtje dat wilde maar die had net zo’n slechte huid en vooruitstekende tanden als hij.
‘Mijn nicht? Die lelijkerd? Nee hoor, die wil ik niet.’

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

Koreaan in Nuweiba

Alyan kan niet goed koken en houdt eigenlijk alleen maar van moeders pappot. ‘Alles wat ik klaarmaak heb ik van mijn moeder geleerd,’ zegt hij. ‘En zij is de beste, echt waar.’ Hoe moet de kookkunst van alle andere mama’s in Nuweiba dan wel zijn, vraag ik me af. Zouden die ook van die kostelijke gerechten maken als Alyan? Macaroni kook je meer dan een uur, is zijn stellige overtuiging. Dat moet in een pan met water, waar eerst de uien in gefruit zijn. Je gooit er ook een blikje tomatenpuree bij en een zakje tomatensaus. Klaar!

Soms stel ik Alyan voor dat ik het koken in de woestijn overneem. Dat wijst hij af: wie weet wat ik er van bak. Kan ik eigenlijk wel koken of heb ik daar mijn personeel voor? Plat brood bakken kan ik ook al niet, alleen maar asbrood. Hij staart voor zich uit, denkt na over mijn huiselijke omstandigheden in Nederland.

Maar dan komt hij met een plan. Uit eten wil hij met mij, naar de Koreaan. Dan weet ik hoe jij thuis eet, stelt hij. ‘Want die Koreanen eten veel rundvlees, jij toch ook? Jij moet wel betalen hoor, voegt hij wat zorgelijk toe. Het schijn nogal duur te zijn.’
Ik stem gretig toe. Het lijkt me wel wat, uit eten met een bedoeïen bij de Koreaan in Nuweiba. Over de prijs maak ik me vooralsnog niet druk, dat zal best meevallen.

Het voelt bijna als een date. Ik heb mijn aardigste jurk aangetrokken en Alyan verschijnt in een nieuwe jalabiya. Grijs schijnt het nieuwe wit te zijn, want ik zag al menig man in deze vlotte outfit. Een borduurrand, mooi maar toch mannelijk, is langs de hals en de sluiting op de borst te zien. De zakken zijn goed afgewerkt en het model lijkt me wijder te vallen rond de voeten dan normaal. ‘Mijn hoofddoek is ook nieuw’ zegt Alyan maar dat ziet geen mens want die is roodgeruit als altijd.

We gaan naar binnen. We zijn bepaald niet de eersten. Tot zijn stomme verbazing ziet Alyan twee honden in het restaurant rondlopen. ‘Wat onhygiënisch,’ fluistert hij. Ik zie een aantal blote Egyptische damesruggen, zwierige kapsels, welgedane heren en een Europees stel.

Alyan en ik gaan bij het raam zitten. Niet dat we buiten wat kunnen zien, maar dan zitten we uit het zicht. ‘Anders vallen we op,’ zegt Alyan. En dat doen we dus niet want de ober laat op zich wachten. We babbelen wat en Alyan gaat steeds harder praten. ‘We vallen op,’ zeg ik.

De ober verschijnt en Alyan, die zo graag wou weten hoe rundvlees smaakt, trekt, om het maar eens plat te zeggen, zijn keutel in. Kan hij misschien, wie weet, tja, als het mogelijk is, een bordje tahine krijgen, wat sla en wat brood? Nee, de ober – een vrouw in een ultrakort broekje- is onverbiddelijk. Nee, hij moet van de kaart eten. Die kan hij niet lezen en dus vraagt hij mij wat hij wil. Kip misschien? De zoetzure kip krijg ik niet verkocht, suiker op zijn kip wil hij niet, zegt hij. Hete kip ook niet, stel je voor. ‘Kip met niks of kip met curry,’ beslis ik. ‘En dan rijst, we nemen gebakken rijst en gekookte, dan kan je kiezen. Brood is er niet.’

Er gaat een uur voorbij. En nog een. De Egyptenaren hebben van een voorgerecht geproefd, een soepje gehad en zijn nu aan hun hoofdschotel begonnen. Ze fotograferen elkaar met hun mobieltjes en hebben veel schik. De Europeanen zijn verdwenen en een groepje uit Israel laat onder tafel een drankfles rondgaan die de cola verrijkt. Zij hebben het ook erg naar hun zin.

Wij niet echt. Wij worden wat onrustig. De dame in het korte broekje zit de hond te aaien, achter de bar staat een oosterse man hardnekkig weg te kijken en Alyan wil niet opstaan. Of zwaaien met zijn arm. Of iets roepen. Zal ik dan maar even naar….Néé, stel je voor! Nu staat hij op en praat met de man achter de bar, steekt vervolgens zijn hoofd door het loket naar de keuken en loopt wat heen en weer. Hij steekt zijn hoofd nogmaals door het loket…wat zou hij toch zien en doen? Hij drentelt weer wat. Zou hij de borden zelf meekrijgen? Een andere oosters uitziende man komt naar hem toe en praat met hem. Dan komen ze samen naar ons tafeltje. ‘The lady is hungry’ zegt Alyan en wijst op de bron van alle ongemak. Of ik nog even een half uurtje geduld heb? Dat moet dan maar, denk ik en vraag Alyan wat er achter dat loket te beleven valt. ‘Er staat een dikke vrouw te koken. Ze heeft wel 6 pannen op het vuur staan.’ Hij zegt het vol ontzag. ‘Ze is best oud, dat haar kinderen dat niet doen.’ Die zwoegen waarschijnlijk op een universiteit in Seoel, denk ik.

Alyans kip

Daar is het eten eindelijk. En de vrouw in de korte broek. Alyan kijkt wantrouwend naar haar handen. Die hebben de hond geaaid, en die houden nu zijn bord vast. ‘Ik zag dat ze haar handen waste,’ zeg ik snel in het Arabisch. Anders geeft het vast gedoe.
We proeven. We knikken naar elkaar: lekker. We eten. Ik neem van de witte en van de gebakken rijst met groente. ‘Ze hebben deze rijst alleen maar in het water gedaan,’ constateert hij. ‘Dat is zeker makkelijker voor die vrouw in de keuken.’ Ik antwoord niet maar eet. Binnen 10 minuten zijn onze borden schoon leeg. De schaaltjes rijst ook.

Alyan vraagt de rekening en mij het geld. Hmm, het valt niet echt mee. Voor Egyptische begrippen is het schandalig duur en wie heeft er nu ooit van 20% tax en van 20% voor het personeel gehoord? Hij wordt er verlegen van en vraagt of hij af moet dingen? Of boos moet worden?
‘Doe maar niet’, zeg ik. ‘Het geeft niet, het is maar voor een keertje.’ En hij betaalt het gigantische bedrag van 22 euro. Maar daarvoor mochten we dan weer wel 4 uur in het restaurant vertoeven, dat wel.

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

De halve hyena

…voor de maag…

De bedoeïenen staan erom bekend dat ze bijzonder veel weten van natuurlijke geneeswijzen. En dus vroeg ik Aliyan om mij van alle planten die we tegenkwamen te vertellen waartoe ze gebruikt konden worden.

Ik wees op een klein, grijsachtig struikje. ‘Dat is voor de maag’ zei Aliyan. Je doet de blaadjes bij de thee, net als met salie. ‘Voor de maag,’ zei hij bij een andere struik en daarna nogmaals.
‘Is alles voor de maag?’ Vroeg ik nieuwsgierig.
‘Alles is voor de maag,’ antwoordde hij met een grijns. ‘Alles wat je eet! Hij maakte een wijds gebaar. ‘Voor de mensenmaag, de geitenmaag, de kamelenmaag.’ Ik wist weer waarom ik zo graag met hem op pad ging. Hij had een apart soort humor. Maar een kruidenkenner was hij niet, dat bleek wel.
‘Heel veel planten kunnen gebruikt worden. Tegen hoofdpijn of kiespijn, als je niet kunt poepen of diarree hebt, voor bij het eten of als thee. In de wadi Khallal hebben we thee van die gele bloempjes gedronken, weet je nog? Maar ik herken die planten niet, bovendien groeien er veel in de bergen en daar kom ik nooit. Geef mij trouwens maar een tablet tegen de hoofdpijn.’

’s Avonds pakte ik het onderwerp weer op.
‘Slangen,’ zei ik, ‘wat kan je daarmee?’
‘Doodmaken, allemaal.’ Dat schoot niet op.
‘Maar als je gebeten wordt?’ ik vermoedde half en half dat hij me met een flauw antwoord zou afschepen maar nee, hij ging ervoor zitten.
‘De Jabaliya bedoeïenen bakken soms een slang, als je veel pijn hebt in je polsen of zo. Dat is voor oude mensen. Als je gebeten wordt dan moet je zorgen dat je de wond met je eigen bloed schoonspoelt. Je moet de wond insnijden. Daarna branden en bladeren erop leggen.

Maar sommige dieren zijn wel heel heilzaam. Als je altijd heel veel pijn hebt, of voortdurend moe bent, helpt het vlees van dieren die we eigenlijk niet mogen eten, zoals dat van de vos of de hyena. Je gaat in een hut of tent zitten waar een pot het hyena- of vossevlees gekookt wordt. Je wordt in dekens gewikkeld en moet steeds in de damp zitten en van het kooknat drinken. Maar alleen de rechterhelft mogen we gebruiken, omdat het eigenlijk geen voedsel is. Het is medicijn. Gebruik je alles, dan wordt het weer voedsel.’
‘Denk je dat het helpt? Zo’n halve hyena of vos?’
‘Wie weet? Bouillon van vossevlees is ook goed voor kamelen en verzwakte kinderen.’

‘En dat branden dat jullie doen? Met die spijkers?’ Ik wist dat zowel mens als dier bij bepaalde ziektes gebrand worden. Allereerst volgt dan een drukpuntmassage en tot slot wordt behandeling beëindigd door een of meer drukpunten te schroeien met een gloeiende spijker. Mij leek die gloeiende spijker nou pijnlijke onzin maar Aliyan reageerde voor zijn doen fel.
‘Dat is een prima geneeswijze, nee hoor, dat werkt echt. Overal doen ze het, bij ons, in Saoedi Arabië, in Syrië, alle bedoeïenen doen het.’
‘En jij, ben jij weleens gebrand?’
‘Mijn moeder wilde het niet.’
Wat mij op het idee bracht om moeder maar eens aan de tand te voelen. Die mij vertelde dat ze het niet over haar hart had kunnen krijgen om haar jongste aan de hete spijkers bloot te stellen.
‘En hij werd toch beter, al-Hamdullilah.’

Marion Meulenbroek
http://www.hadiyareizen.nl

Verdwaald

Zandvlakte van al-Makhroom

Eeuwenlang overleven in de woestijn maakt dat de bedoeïenen zich zeer bewust zijn van de omgeving. Niets vergeten ze: waar dit plantje opkomt, waar die sayyala (acacia raddiana) staat of waar volgende wadi naartoe leidt.

Eenmaal maar hoeven ze een route te lopen en dan staat die voor altijd in het geheugen gegrift. En zo kon het tot een misverstand komen dat gelukkig geen kwalijke gevolgen had. Ik wilde graag naar de Wadi Sa’al, maar Aliyan was er nog nooit geweest.
‘Maar jij wel, toch?’ Ik knikte.
‘Vanuit al-Makhroom?’ Weer knikte ik. Waarna we tot mijn verbazing vertrokken, want eerder had hij gezegd dat hij me niet kon gidsen. Maar ik bekommerde me niet om dit veranderd inzicht, want zoiets gebeurt vaak. Wat hier de achtergrond van was wist ik niet en het kon me ook niet schelen.

In Makhroom gekomen maakten we ons eten klaar. We sprokkelden hout en bouwden een vuurplaats. Daarna kookten we, aten, verzorgden de kamelen, kletsten nog wat en gingen slapen.

De volgende dag om half 10 stonden we klaar voor vertrek.
‘Zeg het maar,’ zei Aliyan.
‘Wadi Sa’al,’ zei ik, ‘via Bir Safra.’
‘Waarheen?’ Ik dacht dat Aliyan ofwel zeer slecht geslapen had ofwel me bij de neus nam.
‘Wadi Sa ‘al,’ herhaalde ik.
‘Waarheen dan,’ herhaalde hij. Hij wees met zijn hand naar de duinenrij rechts, de antracietkleurige bergen voor ons en de kloof links. Ik haalde mijn schouders op.
‘Weet ik niet, hoor.’ Voor de eerste keer, zolang ik hem ken, keek hij geërgerd.
‘Je bent hier toch geweest in 2008? Hoe moet het verder?’
‘Een keer maar,’ protesteerde ik. ‘Hoe kan ik dan weten waar ik heen moet?’ Aliyan zuchtte, liet zijn kameel knielen en stapte af. Hij liep weg en beklom een zandheuvel. Met moeite, ik zag zijn voeten diep wegzakken en soms wegglijden. Wat zou hij gaan doen? Wilde hij bovenop het duin tot honderd tellen? Om zijn ergernis kwijt te raken? Maar eenmaal boven zag ik hem zijn mobiel pakken en later hoorde ik hem op luide toon praten. Hij wees met zijn hand naar de rij zwarte bergen, boog zijn vingers naar voren en bewoog ze of hij piano speelde. Daarna wees zijn hand naar rechts en maakte een bocht naar voren. De route, begreep ik. Zonder woorden steeg hij op en vertrokken we. Richting de bergen waar ons ongetwijfeld een pas wachtte waarna we rechtsaf zouden gaan.

Terwijl we verder reden bekeek hij me af en toe peinzend, een beetje medelijdend. ‘Zonder gids zou je doodgaan. Hoe het met jou moet, ik weet het niet. Hoe overleef je daar in Nederland?’
‘Ik schrijf, dat weet je toch?’
‘Maar echt iets dat erop aan komt, dat kan je niet.’
Nee,’ zei ik.

http://www.hadiyareizen.nl

Zinvol zwoegen?

Na twee weken besloot ik met Aliyan, de broer van Mahmud, op pad te gaan. Hij had twee aardige kamelen en daar gingen we dan, op weg naar de zandvlakte.

Eigenlijk reden we maar wat, zonder plan of afspraak. En zo stuitten we op een legertent met flink wat kratten eromheen. Nieuwsgierig als we allebei zijn, volgden we de sporen van de bewoners een kloof in. Waar we maar liefst twintig Britse scholieren en twee docenten troffen. De helft stond te zwoegen aan het eind van de kloof. Emmers zand werden weggedragen en zakken cement geleegd en met water vermengd. Rotsblokken werden naar de bouwplaats gerold of gedragen. Rode bezwete hoofden draaiden zich naar ons toe en bekeken onze kamelen nieuwgierig. En ons ook: Aliyan de bedoeien en ik in mijn bedoeienenjurk.
Ze bouwden een waterkering zodat het regenwater opgevangen kon worden. De Egyptische begeleider bekeek het geheel goedkeurend terwijl hij aan zijn theeglaasje nipte.
Een van de docenten kwam op ons toe. Ja, we mochten onze watervoorraad aanvullen. Dit was zijn project. De jongens en meisjes werkten hier een week en daarna mochten ze een dag kameelrijden en een dag snorkelen. En dan weer naar huis.

Terwijl we verder reden maakte ik een rekensom: tickets, eten en drinken en twee uitstapjes: dat kwam toch al snel op 8000 euro. Daar kon je heel wat bedoeïenen voor inzetten. Die nu allemaal werkeloos op toeristen zaten te wachten. Wat vond Aliyan ervan? Maar die maakte een wegwerpgebaar.
‘Vliegmaatschappijen willen ook verdienen. Daar werken ook mensen. Anders wordt straks jouw ticket weer duurder’. Een onverwachte invalshoek vond ik. Maar Aliyan verbaasde me wel vaker met zijn kijk op zaken.

Na een half uur kwamen we langs de zogenaamde tomatenvelden. Binnen een rand tomaten wordt opium of hasjiesj gekweekt. Ik telde vijf bronnen op een rij.
‘Weten de bedoeïenen dat deze bronnen er zijn?’
‘Iedereen weet dat, zelfs de politie en het leger. Maar de politie durft hier niet te komen en als het leger al komt, dan verbranden ze de helft van de oogst. De andere helft mag de kweker houden. Ze weten dat we arm zijn.’
‘Maar, die waterkering, die is dan toch overbodig?’
‘Jij bent schrijfster, jij denkt over die dingen na. Dan schrijf je je stukje. Ik niet. Het is aardig dat die scholieren dat voor ons doen. Verder heb ik er niets mee te maken. Ik krijg dat geld heus niet om mijn familie van aan het werk te zetten. En regenwater is erg lekker, lekkerder dan bronwater.’

Kampvuur gesprek III

De krabbenmand is een merkwaardig fenomeen. Er hoeft nooit een deksel op omdat elke krab die omhoogklimt door de anderen weer naar beneden getrokken wordt.
Volgens Mahmud is het leven in Nuweiba’ als het leven in een krabbenmand. Wie zijn kop boven het maaiveld uitsteekt wordt genadeloos onthoofd.

‘Hier is iedereen altijd jaloers, niemand gunt een ander wat. Wie een meevaller heeft moet dat verborgen houden. Anders wordt erover gekletst.’
Of dat zo erg is, vraag ik hem. Mensen kletsen altijd, wat maakt het uit? Maar Mahmud is het niet met me eens. Zijn moeder zou er last van kunnen krijgen, of zijn broers.

Daarom houdt Mahmud van alles en nog wat geheim voor zijn omgeving. Ook voor zijn vrienden.
Al een paar jaar werkt hij hard om een mooie boomgaard en groentetuin te ontwikkelen. Stenen zijn uit de grond gehaald, het terrein is ommuurd, er is een windvang van bomen geplant. De waterput is bijna klaar.

Maar toen ik in het bijzijn van een van zijn beste vrienden over zijn tuin begon, keek Mahmud bepaald niet blij. Later sprak hij mij erop aan. ´Je moet niet zoveel praten Maryam, Yusuf weet helemaal niet dat ik een tuin heb. Dat had ik graag zo gehouden. Hij wordt alleen maar jaloers en dan gaat onze vriendschap kapot.´

Hoe dit gebied rond Nuweiba´zich moet ontwikkelen is me een raadsel. Initiatieven worden de kop ingedrukt door de sociale omgeving, een nieuw idee of product wordt weggelachen of neergesabeld en een frisse wind wordt slechts in de woestijn gewaardeerd.

Sommige toeristen blijven hier hangen. Ze worden verliefd op een man, de kamelen of het gebied. Met wat geld en creativiteit proberen ze iets nieuws op te zetten. Zoals een ijssalon, een pizzeria of een leuk hotelletje. In het begin is iedereen enthousiast. Want het biedt vaak werkgelegenheid en ook de plaatselijke bevolking wil weleens een pizza o f sorbet proeven. Maar na een paar maanden steekt de jaloezie de kop op. Waarom komen daar wel klanten en in het saaie mannencafé niet?
‘Die vrouw heeft geld, dat heeft ze aan haar partner gegeven en daarom loopt die ijssalon. Wat een Saakin ar-riehh,*) die vent, zelf deugt hij voor niks. ‘
‘Toeristen slaan onze bedrijven over, ze gaan liever eten bij hun eigen volk. Die lui van de pizzeria nemen onze omzet weg.’
En zo verkilt de relatie tussen de bewoners en de nieuwkomers. En komt er van nieuwe impulsen vaak weinig terecht.

Mahmud is een fijne gids en aangenaam gezelschap. En daarom wilde ik hem een olijfboompje cadeau doen. Voor zijn boomgaard. Het leek me leuk om dat boompje samen te gaan kopen, al was het alleen maar om eens een kwekerij hier te zien.
Maar dat gaat niet volgens Mahmud. ‘Want dan zit je bij mij in de jeep en dan ziet iedereen dat. En dan denken ze dat je mijn vriendin bent en dat ik van jouw geld leef.’
In de woestijn kan kennelijk alles. Dat vele bedoeïenen er alleen met een vrouw opuit trekken vindt niemand een probleem. Maar samen in een jeep zitten in het dorp, nee hoor, stel je voor.

http://www.hadiyareizen.nl

*) Saakin ar-riehh: windstilte. In de woestijn verlangt men altijd naar een zuchtje wind. Windstilte kan men missen als kiespijn.

Kampvuurgesprek II

Daar zitten we dan weer bij het knappend vuurtje. Drie stenen liggen netjes in het midden en daarop staat de pan met uien te sissen. Zo meteen de rijst en tomaten erbij, wat kruiden en dan wachten tot alles gaar is.
Over het algemeen is Mahmud wel tevreden met zijn leven. Maar wat hij lastig vindt is de sociale controle. Vrijwel niets blijft onopgemerkt en wat men niet zeker weet wordt erbij gefantaseerd.

´Met jou kan ik niet zomaar uit eten gaan, ´ zegt Mahmud. ´Want dan denkt iedereen dat we wat hebben samen.´ Mijn tegenwerping dat we bepaald niet van dezelfde leeftijd zijn wuift hij weg. ´Nee, Maryam, dat maakt niet uit, dat zegt hier niks, leeftijd.´

En dat klopt. De laatste tijd komt het vaak in het nieuws. Een oudere vrouw wordt verliefd op een jongere man. Zij wil liefde en aandacht en hij geld. Zij weet dat niet of wil dat niet weten. Ze trouwen, want samenwonen is verboden. Na verloop van tijd vertoont de relatie scheurtjes. De naakte waarheid is moeilijk te verkroppen.

´Die mannen begrijp ik niet,´ zegt Mahmud. Hij is liever arm dan dat hij zich door een vrouw laat onderhouden. Hij zou zich niet meer kunnen vertonen, vindt hij. En zoals altijd komt bij dit onderwerp ook weer naar voren dat Bedoeïenen en Egyptenaren niet zo´n beste visie op elkaar hebben. ´Wij doen dat niet, maar die Egyptenaren, die willen niet werken, die nemen gewoon een Europese vrouw. Na een maand rijden ze in een mooie auto en hebben allemaal nieuwe kleren.´

Natuurlijk zijn er ook stellen die echt van elkaar houden. En ook daarbij vind je partners met een leeftijdsverschil. Zij hebben te kampen met alle vooroordelen van dien. Hij wordt geminacht omdat hij zichzelf niet kan bedruipen maar daar een vrouw voor nodig heeft. En zij niet alleen omdat ze liefde moet kopen, maar daar kennelijk op haar leeftijd ook nog behoefte aan heeft. Dat de realiteit in bepaalde gevallen heel anders is, dat de man wel zijn eigen inkomen genereert en de vrouw onderhoudt en dat ze gewoon van elkaar houden doet er niet toe: vrijwel niemand wil het geloven.

Een vriend van hem heeft een Europese vriendin. Zij is een stukje ouder. Ze houden van elkaar. Maar nooit vertonen ze zich samen in het openbaar. Zij heeft wat geld en hij is arm. Nooit zal ze hem wat geven. Trouwen kunnen ze niet. De sociale omgeving zou hen kapotmaken.

Dat laatste vindt Mahmud vele malen erger dan wat hij doet. Want de toeristes kiezen vrijelijk voor seks met hem. Maar dat mensen niet zomaar van elkaar kunnen houden, dat vindt hij pas kwalijk.

http://www.hadiyareizen.nl